30 mei 2020

Want in wezen zijn we één van Geest

Geschreven door Sabine du Croo
Inspiratie admuller via Pixabay Want in wezen zijn we één van Geest

Waar ook maar

Waar ik ook maar ben, op welke plek op aarde ook,
houd ik voor de mensen mijn overtuiging verborgen
dat ik niet van hier ben.
Alsof ik ben gestuurd om zo veel mogelijk kleuren,
smaken, geluiden, geuren in mij op te nemen, alles
gewaar te worden wat de mens ten deel valt,
het ervarene tot een toverregister
te transformeren en daarheen te brengen vanwaar
ik ben gekomen.

Czeslaw Milosz

 

Stel je was een tijdreiziger en je kon met al je informatie van hier en nu heel gemakkelijk naar daar en toen reizen en met de mensen praten. Stel je dan dit interview voor over de betekenis van Pinksteren met twee leerlingen in 50 na Chr.

Getuigeninterview

We zitten buiten voor het huis en drinken thee. Ik heb mijn aantekenblok opengeklapt en zojuist de eerste vraag gesteld: ‘Pinksteren, wat is dat voor feest?’ Het is even stil, de twee kijken elkaar aan en moeten lachen. Dan begint de een te vertellen:

‘Het pinksterfeest is een mooi feest. Want de gedachte erachter, of misschien moet ik zeggen het geloof erachter, is, dat de mensen het verder zelf moeten doen, omdat ze het kunnen doen. Klinkt logisch, hij had het ook altijd gezegd, maar we hadden het niet zo opgepikt. Kijk, wij twee kennen elkaar al langer, nog van het bedrijf van mijn vader, en wij zijn achter hem aan gegaan. Vanaf het begin waren we erbij en we zijn altijd met hem meegegaan. We keken tegen hem op. Hij was voor ons een leraar, we zagen hem als onze meerdere, hij was een soort god voor ons, denk ik nu achteraf. We kwamen niet op het idee dat hij onze gelijke was, dat hij was zoals wij. Nee, we hingen aan zijn lippen, dronken zijn woorden in.

Op het laatst liepen de spanningen op. Iedereen ging zich met hem bemoeien, had een mening over wat hij wel of niet moest doen. Maar hij luisterde niet, werd opgepakt, liet zich oppakken, kan ik beter zeggen. Het was een akelige tijd.’

We voelden ons verloren

De man is even stil en ook de ander zit met zijn ogen neergeslagen. Dan vervolgt hij:

‘Pas na de kruisiging begon het ons te dagen. We hadden heel sterk het gevoel dat hij niet weg was, niet dood, dat hij nog hier was, met ons mee liep. Niet alleen mee naar Emmaüs, nee, veel vaker was hij er. Hij liep naast ons, achter ons, voor ons uit. Hij wàs er gewoon. Ook als we hem niet zagen was hij er, we voelden het, wisten het.

Toen kwam de dag dat drie van ons de Karmel op waren gegaan en dat het zo mistte. ‘De lucht hing er laag en de zon werd er langzaam in grijze veelkleurige dampen gesmoord’, om het met de woorden uit jouw eigen land te zeggen.

En zij wisten zeker dat hij erbij was geweest. Maar toen was hij weg. Ten hemel gevaren, zoals van Elia gezegd wordt. Het blijft een raar verhaal. In de tijd daarna voelden we ons verloren, doelloos. Hij, onze leraar, de trooster, de leider was weg. We hadden niemand meer om tegen op te kijken. We waren als schapen zonder herder. Tot die keer dat we naar Jeruzalem waren gekomen, het was het lente-oogstfeest’.

Ik zal er zijn

‘We waren weer allemaal samen, zoals vroeger, toen we iedere avond samen waren en met hem aten en praatten, lachten en luisterden, baden en zongen. Diezelfde sfeer was er weer, datzelfde vuur, diezelfde geest. Maar hij was er niet bij. En toch. Toen werd het ons pas echt duidelijk wat hij al die tijd bedoeld had. Want hij was er. Hij was er altijd geweest, zal er altijd zijn. Het is maar hoe je het ziet. We beseften dat hij in wezen niet anders was dan wij. Sterker, krachtiger dat wel. De energie, het licht, de adem, het goddelijk vuur, de geest Gods of hoe zeg je dat, het was in hem zoveel meer geconcentreerd dan in ons. Maar in essentie dezelfde. Ja, toen we daar weer bij elkaar zaten zoals vroeger, toen wisten we het: het is hetzelfde, hij is in wezen hetzelfde als wat wij ten diepste zijn. We komen uit dezelfde bron. Dat vuur, die adem, die geest dat is de kern van wat hij was en van wat wij zijn. En dat blijft, altijd.

Pas daarna zijn we eigenlijk pas gaan leven zoals hij: leven uit die bron. Dat was wat hij leerde: laat je eigenbelang los, houd van de mensen om je heen, leef uit Gods liefde.’ Een eenvoudige leer eigenlijk.

In een groots verband

De man is uitgepraat, ik weet niet goed wat te zeggen en klap mijn aantekenblok maar vast dicht. De andere man, die er tot nog toe zwijgend bij zat, knikt me toe en gebaart dat ik moet blijven zitten. Hij gaat het huis in en komt terug met een vel papier ‘Hier, zet dat maar boven je stukje, dit gedicht gaat over hetzelfde’.

Als ik afscheid heb genomen en het dorp uitloop kijk ik om me heen en zie ‘In de geweldige ruimte verzonken de boerderijen verspreid door het land, boomgroepen, dorpen, geknotte torens, kerken en olmen in een grootsch verband’. En ik begin er iets van te begrijpen geloof ik. Dat wij allen in ‘een grootsch verband staan’ om met Marsman te spreken. Dat allen en alles in wezen dezelfde kern hebben, uit dezelfde geest geschapen zijn. En dat dat misschien wel de boodschap van Pinksteren is; dat we het zelf moeten doen en dat we het kunnen, want in wezen zijn we één van Geest.

Over Sabine du Croo

Sabine du Croo

Sabine du Croo de Jongh is remonstrants predikant in Haarlem

Gerelateerd